week 2

Dag 4 (Prompt: Energiek)

De eerste dagen aan boord van het ruimteschip waren nogal hectisch. Novaly moest niet alleen wennen aan een nieuwe omgeving, nieuwe gezichten en het gebrek aan de routine, waar ze zich jaren aan vast had kunnen houden. In het ruimteschip werd er ook van een ander dag- en nachtritme gebruik gemaakt.
Op Tagmar telde een volledige dag eigenlijk twee delen. Een deel licht en een deel donker. Samen werden ze ook wel een koppeldag genoemd. Op Elodie roteerde de planeet op een nogal eigenaardige wijze rondom zijn ster, waardoor er geen verschil tussen dag en nacht was. Vanaf het oostpunt van de planeet tot aan het westpunt, werd het geleidelijk aan donkerder. Bij hen bestond een dag uit wake en borg. Op Terra was het weer anders, daar veranderde de lengte van het lichte dagdeel naarmate het jaar vorderde.
Aangezien er bewoners van alle drie de planeten mee zouden gaan op deze reis, was gekozen voor een compromis. In de ruimte was het uiteraard altijd pikkedonker, dus een regelmatige cyclus was makkelijk in te stellen binnen het schip.
Voor Novaly betekende dat echter dat het dagdeel waarin het licht was, langer duurde dan ze gewend was.

In de tijd dat ze na de lancering op haar vader had moeten wachten, had ze de volledige cabine verkend. Elk hoekje en gaatje had ze bekeken en uit verveling had ze zelfs al haar spullen uitgepakt een plekje gegeven. Ze wist niet zeker of dat al de bedoeling was. Mocht er iets mis gaan, dan kon ze het altijd zo weer in haar tas proppen. Er waren geen wanden waaraan ze een ophangsysteem kon bevestigen. Fotoframes en posters zou ze dus moeten missen, totdat iemand met een oplossing zou komen. Het frame met de afbeelding van haar moeder had ze daarom maar in de bovenste lade gelegd van het kleine ladeblokje dat naast haar bed in de muur was verwerkt.
Haar deel van de kamer kon afgeschermd worden met een uitschuifbaar paneel. Het was niet veel, maar het gaf haar in ieder geval wat privacy. Al verwachtte ze niet dat haar vader vaak en lang in de cabine zou zijn.

Na ruim drie uur rondgestruind te hebben door de vierkante ruimte met zijn bolle wand, waar het venster in zat, was haar vader haar eindelijk komen verlossen van de verveling.
Hij was een man van weinig woorden en had enkel gevraagd of alles goed was. Novaly had geknikt en geglimlacht. Ze wist dat haar vader met weinig moeite haar diepere emoties kon peilen. Haar defensieve mentale schilden waren nog niet dusdanig getraind dat ze een volwassen zender kon buitensluiten. Dat zou ook onderdeel worden van haar onderwijs. Die eerste dag had haar vader haar echter meegenomen op een wandeling langs alle onderdelen van het ruimteschip.
Het ruimteschip had de naam Fiator gekregen, een oud Thalaanse naam voor reiziger.
Kapitein Sen had zijn dochter meteen aan de tand gevoeld over haar kennis van het schip. Hij verwachtte van al zijn bemanningsleden een minimale kennis over de inhoud en werking van de grootste onderdelen van het wielvormige schip. Van zijn dochter scheen hij echter meer te verwachten. Novaly had daarom haar best gedaan om zoveel mogelijk in haar hoofd te proppen.
Ze had gezien dat hij trots op haar was, toen ze tenslotte op de brug aankwamen. Ook al zei hij geen woord, ze voelde zijn tevredenheid.

Nu liep ze een beetje doelloos door de 'spaken' van het ruimteschip heen en weer.
Ze had net twee uur les gehad in mechanica en over een half uur zou ze haar mentale vaardigheden trainen. Ze had geen idee wie de vrouw was die haar les zou geven. De meeste bemanningsleden had ze nog niet ontmoet. Ze kwam bij het uiteinde van de gang en draaide op de hiel van haar rechtervoet honderdtachtig graden om en begon terug te lopen. Omdat ze niets beters te doen had, telde ze de stappen. Halverwege raakte ze de tel kwijt omdat ze tegelijkertijd ook de kleine ronde raampjes probeerde te tellen, van waaruit je naar de ruimte kon kijken. Er waren zeven raampjes aan de ene en zeven aan de andere kant van de gang. Elke 'spaak' was identiek. Novaly vond ze allemaal saai.
Misschien moest ze haar vader vragen of ze mee naar de oppervlakte van Elodie mocht, nadat de eerste nieuwe bemanningsleden aan boord waren gekomen. Ze zouden over twee dagen in een baan rondom de planeet komen en Novaly had besloten dat ze gek zou worden als ze niet snel ergens zou kunnen rennen. Hoe groot het schip ook was, er was nergens plek om uitgebreid te kunnen rennen. In de ring van het schip lag een lange gang, die helemaal rondom liep. Aan die gang lagen alle cabines, de mensa, de onderzoekslaboratoria. Er waren ruimten waar je je kon ontspannen en ergens moest ook een soort sporthal zijn. Novaly had elke deur geprobeerd en de enige ruimte die ook maar een beetje in de buurt van het woord sporthal kwam, was een kamer; twee keer zo groot als een normale cabine, waarin fitheidsapparatuur stond.
Zou niemand behoefte hebben aan wat beweging die verder ging dan de individuele oefeningen die je kon doen met de weliswaar schitterende apparatuur? Misschien lag het aan haar, maar ze moest er niet aan denken een jaar lang haar benen niet te mogen gebruiken voor meer dan een snelle wandeling.

Bij het laatste raampje bleef ze staan en met een zucht leunde ze tegen de wand. Haar oog viel op de deur in de verte en opeens ging haar een licht op. De oplossing was zo simpel, waarom had ze daar niet eerder aan gedacht? Met een laatste blik achterom en een brede grijns op haar gezicht, ging ze midden in de gang staan.
Ze nam de startpositie in, telde in haar hoofd af tot één en zette het toen op een rennen. Aan het eind van de gang vertraagde ze haar pas en met haar handen op haar knieën, hijgde ze even uit. Dit was een goed idee. Ze kwam weer overeind, draaide zich om en vloog er weer vandoor.
“Ik moet een snelheidsmeter meenemen de volgende keer,” bedacht ze zich, toen ze bij de deur kwam en zeker wist dat ze deze ren een betere tijd had gemaakt.
Ze zou moeten trainen. Nu al voelde ze dat haar normale uithoudingsvermogen ver beneden peil lag. Het zou vast iets te maken hebben met de kunstmatige zwaartekracht. Ze zette af voor een derde ren en was bijna bij de deur, toen die plotseling open schoof. Het was haar bedoeling geweest te stoppen vlak voor de deur, maar de man die nietsvermoedend gebruik wilde maken van de gang, deed haar zo schrikken, dat ze struikelde en hard tegen de wand aan knalde.

“Au!”
Met een hand om haar schouder geklemd, voelde ze hoe de man haar te hulp schoot en even later stond ze weer op twee benen. Ze hijgde nog wat na van alle inspanning en haar schouder deed verrekt veel pijn. Ze durfde niet zo goed op te kijken naar de man die haar nu waarschijnlijk half stond uit te lachen. Toen ze uiteindelijk opkeek, zag ze inderdaad een glimlach, maar niet zo één die ze verwacht had.
“Had je haast?”
Hij klonk vriendelijk en een tikkeltje bezorgd, maar niet plagerig. Ze herkende de man niet meteen. Hij droeg een zelfde uniform als alle andere bemanningsleden. Een strakke, lichtgrijze overal met daaroverheen een bijna zwarte, mouwloze tuniek. De brede riem om zijn middel hing vol met voorwerpen waar Novaly maar de helft van herkende. De blauwe strepen op zijn tuniek gaven aan dat hij in de machinekamer werkte en opeens herkende ze zijn gezicht.
Tijdens haar ronde door het schip de eerste dag, had ze hem zien sleutelen aan een onderdeel van de startmotoren.
“Ik eh... ik was wat aan het rennen.”
“Dat zag ik, ja. Een jonge, energieke meid als jij; je hebt zeker last van de beperkte ruimte in dit schip. Gaat het? Dat zag eruit als een flinke klap. Misschien moet je er even naar laten kijken.”
“Ja, dat zal ik doen.”
“Heb je hulp nodig, of weet je de weg te vinden?”
“Ik weet waar ik heen moet, dank je.”
De man groette haar vriendelijk en vervolgde zijn weg in de richting van de brug. Novaly maakte dat ze weg kwam en probeerde zich te herinneren waar de ziekenboeg ook alweer was.
De volgende keer zou ze haar vader vragen of ze één van de 'spaken' mocht afsluiten, wanneer ze weer een stukje wilde rennen. Voorlopig zou ze wel niet teveel mogen bewegen.

Blog-homeBlog-forw