week 4

Dag 6

Haar vingers waren bezig met een spelletje. Ze kon ze niet laten ophouden. Telkens opnieuw tikten ze tegen elkaar. Wijsvinger tegen wijsvinger, middelvinger tegen middelvinger. Ringvinger, pink en dan weer terug naar de duim. Onder haar voeten was een platform. Niet meer dan een cirkel eigenlijk, een grijze cirkel op de verder witte vloer. Precies één meter breed. Er was ruimte voor een handjevol personen. Ze stond naast haar vader, die enkele laatste woorden uitwisselde met zijn ondergeschikte.
Zometeen zou hij het kleine, rechthoekige doosje activeren dat nu om zijn arm was geklemd. De verschuiver, waarmee net de eerste groep Eloden aan was gekomen. Drie mannen en twee vrouwen. Tien keer zou de verschuiver zijn werk doen, twaalf keer, als je de heen- en terugreis van Novaly meerekende.

Het was niet echt een reis, het zou niet meer dan een paar tellen duren. Dematerialiseren, hermaterialiseren. Twee bijna onuitspreekbare woorden en ze stond op Elodie.
Ze onderdrukte de neiging op en neer te springen, ze was geen klein kind ten slotte. Ze kon heus wel tegen een beetje spanning.
Ze werd zich bewust van een zacht tikkend geluid bij haar oor en vlug keek ze om. Niets. Even later hoorde ze het weer. Het scheen te komen van... Met een zucht sloot ze haar ogen. Ze was het zelf. Ze beet niet op haar lip, ook niet op haar tandvlees, maar wanneer ze zenuwachtig was, klapperden haar tanden. Alsof ze het koud had. Haar kaken stevig op elkaar klemmend, keek ze haar vader aan. Ze mocht hem niet onderbreken. Hij was zich huis wel bewust van de tijd; van de Eloden die stonden te wachten naast het platform op de oppervlakte van de planeet. Hij draaide zich om en opgelucht wierp ze hem een glimlach toe.

Kapitein Sen was geen man voor knipoogjes. Zijn wenkbrauwen gingen een klein stukje omhoog, zijn manier van vragen of alles goed was en Novaly knikte. Alles was fantastisch, wilde hij nu alsjeblieft op de knop drukken.
Hij deed het. De wereld werd wazig en daarna zwart.
Toen weer wazig en Novaly knipperde uit alle macht om haar beeld zo snel mogelijk weer scherp te krijgen. Ze stond op Elodie. Op een andere wereld. Het was ongelooflijk.
Haar mondhoeken trokken, ze kon er niets aan doen. Vanbinnen voelde ze een grote horde fladderende vleugels. Ze kon het nauwelijks vlinders noemen, zo gingen ze tekeer in haar buik. Ze deed een kleine stap om te controleren of haar evenwicht voldoende was hersteld en liep toen achter haar vader aan het platform af.

Het was druk op het plein waar ze waren uitgekomen. Blijkbaar was iedereen uit het resid, zo noemden ze de woonplaatsen op Elodie, wist ze zich te herinneren, komen kijken. Ze viel nogal op met haar sneeuwwitte huid. De Eloden waren bijna allemaal grauwgrijs van kleur. Toch waren er her en der ook andere tinten te zien. De heerser bijvoorbeeld. De man die nu de brede trap van het paleis afkwam en op haar vader afliep. Hij had Therosiaans bloed. Kwam zijn moeder niet van Theros? En zijn vader was half Terraans. Het was duidelijk te zien in zijn blanke huid.
Dit zou saai gaan worden, wist ze. Een korte bespreking, had haar vader gezegd. Maar een paar uur. Ze had nog niet de kans gezien hem te vragen of zij ergens anders mocht kijken in die tijd.
Beleefd groette ze de heerser van Elodie. Haar vader stelde haar voor en beide werden uitgenodigd naar binnen te gaan.
Op de drempel van de ingang van het paleis bleef ze staan. Ze had gehoord van het schitterende gebouw op Elodie. De glinsterende witte stenen, de prachtige tuin. Misschien mocht ze daar even blijven. Een welkome onderbreking op het groen-loze interieur van het ruimteschip.
Blijkbaar zag haar vader haar kijken, want ze hoorde zijn stem in haar hoofd. “Blijf in de buurt,” zond hij. Blij knikte ze.

Ze had nog geen twee stappen in de richting van de tuin gedaan toen ze voelde dat er iemand naar haar keek. Niet zomaar keek. Ze werd geobserveerd op een mentaal niveau. Met een ruk draaide ze zich om. Het was niet netjes om in iemands hoofd te gluren. Zeker niet wanneer je elkaar helemaal niet kende. Eén van de eerste regels die elke zender als kind leerde was om niet te gluren. Het was een grove overtreding.
De jongen die haar vanaf het plein strak aanstaarde, zag er echter niet uit alsof hij zich ergens voor schaamde. De drukte om hem heen negerend, stond hij nonchalant op het plein. Wijdbeens, armen over elkaar geslagen, kin in de lucht. Novaly kon zijn arrogantie bijna ruiken. Ze weerde zijn priemende poging tot inbreken woest af en balde onbewust haar vuisten naast haar zij. Hij was sterk, merkte ze meteen, maar zijn mentale aanwezigheid verliet haar het moment dat ze een schild opwierp. De grijns die op zijn gezicht verscheen bracht haar inwendig aan het koken. Wie dacht hij wel niet dat hij was?
Ze dacht erover na om zich om te keren en weg te lopen. Ze voelde de neiging zich te verstoppen. Maar er was geen verstopplaats waar ze zich kon verbergen voor zijn mentale aanwezigheid. Dus bleef ze staan. Zelfs vanaf een afstandje zag ze zijn ogen oplichten. Voordat ze het wist, liep hij naar haar toe en ver binnen de cirkel van wat zij beschouwde als een behoorlijke afstand tussen twee vreemden, bleef hij staan.
Hij torende ruim een hoofd boven haar uit. Hij was niet breed, maar intimiderend alleen al door de blik in zijn groene ogen. Novaly merkte dat ze haar adem had ingehouden en liet die behoedzaam ontsnappen. Moest ze nu wegrennen? Haar benen voelden aan als lood en haar handen wilden niet bewegen. De woeste berg vlinders in haar buik was veranderd in een stormwind. Wat gebeurde er met haar?
Niet in staat haar blik van de zijne af te wenden, wachtte ze gespannen tot hij iets zou zeggen of doen dat zou verklaren waarom hij hier was.
Uiteindelijk keek hij weg van haar, over zijn schouder. Prompt voelde ze de zware steen in haar buik oplossen en wankelend deed ze een stapje naar achteren.
Zijn pikzwarte haar krulde in zijn nek. Haar eigen nekhaartjes gingen overeind staan en ze onderdrukte een rilling. Nu was echt geen goed moment om te ontdekken wat zijn leuke kanten waren. Ze was vast van plan om deze vreemde, ietwat angstaanjagende Elood te vergeten zodra ze weer aan boord was van de Fiator. Misschien kon ze alleen stiekem nog een foto van hem maken. Dat kon nooit kwaad, nietwaar? Die felle groene ogen bezorgden haar een beklemmend gevoel, maar ze kon niet helemaal zeggen dat ze het vervelend vond.

Een stem klonk vanaf het plein en een tweede figuur kwam op hen af.
“Ben je helemaal gek geworden?”
Verschrikt sprong ze nog iets verder naar achteren, maar de boze woorden waren niet tegen haar gericht.
“Je weet wie ze is, wil je achter gelaten worden?”
Naast haar belager kwam een meisje staan. De overeenkomsten tussen de twee waren zo duidelijk dat Novaly er veilig van uit kon gaan dat het broer en zus waren. Zwart haar, groene ogen die tot in je ziel schenen te kijken. Het meisje was kleiner dan hij en iets groter dan Novaly zelf.
Na een poosje, blijkbaar ging hun conversatie op een mentaal niveau verder, wendde de nieuwkomer zich tot Novaly.
"Het spijt me, Thane weet niet zo goed hoe hij zich moet gedragen. Blijkbaar gaat intelligentie gepaard met idioterie in zijn hoofd.” Ze kruiste haar handen voor haar borst en knikte even kort bij wijze van begroeting.
“Mijn naam is Brindi. Dit is mijn broer Thane. Jij bent Novaly, nietwaar? Dochter van de kapitein?”
Ergens tussen het moment dat ze op het verschuiversplatform was gestapt en nu, was ze haar stem kwijtgeraakt. Was dat mogelijk? Misschien zat de mogelijkheid om te praten nog ergens opgeslagen in de buffer. In dat geval hoopte ze dat ze hem weer terug zou vinden wanneer ze weer terug aan boord was.
Brindi trok een wenkbrauw op en Novaly wist dat ze toch beter haar best moest doen om haar woorden te vinden. Thane, die haar nu met een laatdunkende grijns stond aan te kijken, was duidelijk al van mening dat ze niet de moeite waard was.
“Ja, ik ben Novaly.” Ze keek nog één keer naar de jongen en vroeg toen aan zijn zus: “Is hij altijd zo?”
Brindi lachte. Novaly voelde haar schouders ontspannen.
“Ja, helaas wel. Probeer hem maar te negeren.” Brindi stak haar hand uit en greep Novaly's arm vast.
“Kom mee, vader heeft gevraagd of we je wat willen rondleiden.”
“Je vader?”
“De Grote Elood. Wil je binnen zien of buiten?”
Hun vader was de Grote Elood, Elodies heerser. Ze slikte een vervelende brok weg. Dat verklaarde in ieder geval hun lichte huid.
“Ehm... buiten graag. Binnen in het schip is geen groen.”
“Het lijkt me vreselijk interessant aan boord.”
“Tja, dat zal het ook wel zijn. Voor iemand die hier is opgegroeid, bedoel ik.”
“Straks moet jij ons maar rondleiden. Nu eerst de tuinen van Dauzat. Dat is het paleis. Thane, blijf je daar staan? Dan zien we je straks wel.”
Ze kon nog net omkijken, voordat Brindi haar om de hoek van een hoge heg trok. Thane had zijn armen weer over elkaar heen geslagen en keek het tweetal na. Zijn voorhoofd was gefronst.
Plotseling drongen Brindi's woorden tot haar door.
“Wacht, straks? Jullie rondleiden?”
Brindi keek haar aan en knikte vrolijk. “Wij gaan mee, had je dat nog niet gehoord?”

  Blog-forw